Dit is een initiatief van Advocaten Familie- & Erfrecht
Welke verjaringstermijn is van toepassing op een erfdeel van een kind uit de nalatenschap van de ene ouder dat is omgezet naar een geldlening zonder specifiek terugbetalingsmoment aan de andere ouder?
Wanneer iemand een vordering heeft op een ander, dan kan deze vordering niet tot in lengte der dagen worden opgeëist. In het Burgerlijk Wetboek zijn verjaringstermijnen opgenomen. Verjaring betekent dat een schuldeiser na verloop van een bepaalde tijd – we noemen dat de verjaringstermijn – zijn recht verliest om een vordering af te dwingen. De vordering blijft wel bestaan, maar de schuldeiser kan die vordering na het verstrijken van de verjaringstermijn niet meer in rechte afdwingen. Het Burgerlijk Wetboek bevat verschillende verjaringstermijnen. In de praktijk wordt er – ook in de erfrechtpraktijk – regelmatig geprocedeerd wanneer partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag welke verjaringstermijn op een vordering van toepassing is. Dit was ook het geval in een procedure bij de Rechtbank Limburg (Rechtbank Limburg 28 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:766). Deze procedure staat in deze bijdrage centraal.
De feiten: overbedeling vader in nalatenschap; omzetting van dit bedrag in geldlening aan elk kind
In deze procedure gaat het om een geschil tussen een vader en dochter over de uitbetaling van het kindsdeel van de dochter uit de nalatenschap van haar overleden moeder. De dochter heeft ook nog een broer en zus, maar deze erfgenamen zijn niet in deze procedure betrokken, omdat de vader met de broer en zus van de dochter een minnelijke regeling getroffen heeft. Bij de verdeling van de nalatenschap van de moeder is de vader overbedeeld. Het bedrag van de overbedeling is in de akte van verdeling omgezet naar een geldlening aan elk kind, waarbij is bepaald dat 6% rente per jaar moet worden betaald. Ook is afgesproken dat de geldlening opeisbaar wordt bij het hertrouwen van de vader, zonder het maken en handhaven van huwelijkse voorwaarden waarin iedere gemeenschap van goederen en verrekenbedingen worden uitgesloten.
Enkele jaren na de omzetting van de overbedeling naar een geldlening is de vader hertrouwd. Daarbij is de vader met zijn nieuwe echtgenote huwelijkse voorwaarden overeengekomen, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en verrekenbedingen. In 2015 hebben de vader en zijn nieuwe echtgenote de huwelijkse voorwaarden opgeheven, zodat een algehele gemeenschap van goederen is ontstaan. In 2025 vordert de dochter terugbetaling van de geldlening. Haar vader weigert de geldlening te voldoen en stelt zich daarbij op het standpunt dat de vordering van de dochter verjaard is. Volgens haar vader bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar. De dochter is het daarmee niet eens; volgens haar moet gekeken worden naar de partijbedoeling bij de verdelingsakte. Volgens de dochter was het de bedoeling om de nalatenschap van moeder om te zetten in een geldleningsovereenkomst. De opeisbaarheidsgronden uit de akte zijn bedoeld om zowel de belangen van vader als van de kinderen te beschermen, en daarbij past geen verjaringstermijn van vijf jaar. De dochter heeft zich om die reden in deze procedure op het standpunt gesteld dat de verjaringstermijn 20 jaar bedraagt, zodat de vordering op haar vader nog niet is verjaard.
Oordeel rechtbank: verjaringstermijn bedraagt 20 jaar
De rechtbank onderscheidt in de procedure in eerste instantie twee vorderingen: enerzijds de vordering tot terugbetaling van de geldlening, anderzijds de vordering tot betaling van rente over deze geldlening. Door de gemachtigden van partijen is ter zitting verklaard dat het de partijbedoeling was om de geldvordering en de wettelijke rente als één geheel te beschouwen in die zin dat er sprake is van een hoofdsom met een daaraan gekoppelde rente. Daarom neemt de rechtbank dit tot uitgangspunt en maakt voor wat betreft de opeisbaarheid – ook al staat er in de verdelingsakte dat de 6% rente jaarlijks verschuldigd is – geen onderscheid tussen de beide vorderingen
De rechtbank oordeelt dat de verjaringstermijn 20 jaar bedraagt, omdat in de tussen de vader en de dochter opgemaakte akte geen duidelijk aanwijsbaar moment is bepaald waarop de geldlening moet zijn terugbetaald en het moment dus afhankelijk is van onzekere toekomstige gebeurtenissen. Het gaat om omstandigheden waarvan onzeker en daarmee onduidelijk is op welk moment deze zich zullen of kunnen voordoen en – behoudens het overlijden van de vader – tevens onzeker en onduidelijk is óf ze zich zullen voordoen. Ook is in de verdelingsakte niet vastgelegd binnen welke termijn de vader de geldlening moet terugbetalen, zou een van de in de akte genoemde omstandigheden zich voordoen. Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd in de zin van art. 3:307 lid 2 BW, waarop een verjaringstermijn van 20 jaar van toepassing is. Daarbij verwijst de rechtbank naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:8625). Ook in dit arrest ging het om een geldlening tussen familieleden waarbij geen specifiek tijdstip voor de terugbetaling van de geldlening was bepaald. De terugbetaling van de geldlening was afhankelijk gesteld van onzekere, in de toekomst gelegen factoren. Over de termijnen van terugbetaling waren ook geen concrete afspraken gemaakt, net als in de onderhavige procedure.
In de te bespreken uitspraak van de rechtbank Limburg oordeelt de rechtbank bovendien dat de verjaringstermijn van 20 jaar pas is gaan lopen vanaf het moment waarop de huwelijkse voorwaarden van de vader en zijn echtgenote zijn vervallen, 2015 dus. De rechtbank veroordeelt de vader daarom tot betaling van de vordering uit hoofde van de geldlening, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de datum waarom de moeder overleden is. De vader mag de betaalde successierechten in mindering brengen op dit bedrag. Kortom: de rechtbank oordeelt dat de dochter haar recht op het kindsdeel met rente behoudt.
Juridisch kader rondom verjaring vordering tot nakoming overeenkomst
De verjaring van een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst is geregeld in art. 3:307 BW. Op grond van lid 1 van dit artikel verjaart deze vordering vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Lid 2 maakt op dit uitgangspunt een uitzondering voor een verbintenis tot nakoming van een overeenkomst na onbepaalde tijd. Het gaat hier dus om gevallen waarin in de overeenkomst zelf geen termijn voor de nakoming is bepaald. In dat geval begint de verjaringstermijn van vijf jaar pas te lopen vanaf het moment dat de schuldeiser (in deze procedure: de dochter) heeft medegedeeld tot opeising van de vordering over te gaan. Verder bepaalt lid 2 van art. 3:307 BW dat de vordering tot nakoming van een overeenkomst in elk geval verjaart na verloop van 20 jaar nadat opeising van de vordering mogelijk was. In de onderhavige procedure was opeising van de vordering in 2015 mogelijk, omdat de huwelijkse voorwaarden toen vervallen zijn verklaard door de vader en zijn echtgenote. In 2025 – toen de dochter haar kindsdeel opeiste – was deze verjaringstermijn van 20 jaar nog niet verstreken. Zou de dochter haar kindsdeel pas in 2036 of later hebben opgeëist, dan zou de vordering wel verjaard zijn, omdat de 20-jaars-termijn van art. 3:307 lid 2 BW dan wel verstreken is.
Overigens valt niet iedere overeenkomst van geldlening waarin geen moment van terugbetaling is bepaald, zonder meer onder de reikwijdte van art. 3:307 lid 2 BW. Het enkele feit dat partijen geen datum voor de nakoming van de overeenkomst in de zin van art. 6:38 BW zijn overeengekomen, betekent niet automatisch dat de regel van art. 3:307 lid 2 BW van toepassing is, zo concludeerde A-G Hartlief in overweging 3.48 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:358) bij het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2021 (ECLI:NL:HR:2021:960). Een verbintenis waarbij ‘geen tijd voor de nakoming is bepaald’ in de zin van art. 6:38 BW, is niet hetzelfde als een ‘verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd’ als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW. Of er sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, is afhankelijk van de uitleg van de overeenkomst (Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012/237). In dat verband is bepalend of partijen beoogden dat de vordering op een onbepaald moment in de toekomst, in elk geval niet direct, zal worden opgeëist (J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring (diss. Vrije Universiteit Amsterdam), Deventer: Kluwer 2008, p. 203).
Hiervan uitgaande kan worden geconcludeerd dat de Rechtbank Limburg in lijn is met de wetenschappelijke literatuur en rechtspraak op dit terrein.
Betekenis van het arrest voor de rechtspraktijk
Voor de rechtspraktijk is het van belang om verjaringstermijnen goed in beeld te hebben en op de hoogte te zijn van de uitleg in literatuur en jurisprudentie van wettelijke bepalingen rondom verjaringstermijnen, zoals bijvoorbeeld de uitzondering op de vijf-jaars-verjaringstermijn die geldt voor vorderingen in verband met de nakoming van overeenkomsten in art. 3:307 lid 2 BW. Alleen dan kan tijdig gehandeld worden om de eventuele verjaring van een vordering te stuiten en kan de kans van slagen van een procedure voor een rechtszoekende zo goed mogelijk ingeschat worden.
Overigens is het van belang te realiseren dat wanneer de hoofdsom en de verschuldigde rente wel als twee afzonderlijke vorderingen zouden zijn aangemerkt door de gemachtigden van de vader en dochter en de rechtbank deze twee vorderingen voor wat betreft de opeisbaarheid in het verlengde daarvan niet als één geheel zou hebben beschouwd (hetgeen op grond van de tekst van de verdelingsakte mogelijk zou zijn geweest), er op de vordering in verband met de verschuldigde rente een ander artikel van toepassing zou zijn geweest voor wat betreft de verjaring van deze vordering. In dat geval zou art. 3:308 BW van toepassing zijn. In dit artikel is bepaald dat vorderingen tot betaling van renten die jaarlijks moeten worden betaald, vijf jaar nadat de rentebetaling opeisbaar is geworden, verjaren. In dat geval zou de dochter slechts aanspraak hebben kunnen maken op de laatste vijf rentebetalingen. Het is voor de praktijk van belang om te beseffen dat er dus uiteenlopende verjaringstermijnen van toepassing kunnen zijn in één en hetzelfde geschil.