Dit is een initiatief van Advocaten Familie- & Erfrecht
Procederen over een verzorgingsvruchtgebruik middels een verzoekschrift bij de kantonrechter
Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek is niet alleen relevant voor de inhoudelijke, materiële regels van het erfrecht; deze wetsartikelen zijn soms ook van belang voor de procedurele, formele regels van het erfrecht. Formele regels geven onder andere antwoord op de vraag welke rechter bevoegd is om over een bepaald erfrechtelijk geschil te oordelen en of zo’n procedure moet worden ingeleid met een verzoekschrift of een dagvaarding.
Het uitgangspunt in het burgerlijk procesrecht is dat de rechtbank bevoegd is om over een geschil te oordelen, tenzij de wet bepaalt dat de kantonrechter bevoegd is (art. 42 Wet RO). Een tweede uitgangspunt is dat een procedure wordt ingeleid met een dagvaarding, tenzij de wet bepaalt dat het een verzoekschrift moet zijn. Er zijn verschillende bepalingen in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek die aangeven welke rechter bevoegd is om over een geschil te oordelen en met welk processtuk een procedure moet worden ingeleid.
De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:511) uitgelaten over de bevoegde rechter en het te gebruiken inleidende processtuk ten aanzien van twee wetsartikelen waarin dit niet duidelijk naar voren komt. In deze bijdrage zal dit recente arrest van de Hoge Raad centraal staan.
Procedure over verzorgingsvruchtgebruik
In het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:511) gaat het om een erflater die in 2020 overleden is en die in 2004 in gemeenschap van goederen gehuwd is met zijn echtgenote (hierna: ‘de echtgenote’). In zijn testament heeft erflater niet zijn echtgenote, maar twee stichtingen tot erfgenamen benoemd. Deze stichtingen hebben de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. De echtgenote is een dagvaardingsprocedure gestart bij de kantonrechter. In deze procedure heeft de echtgenote gevorderd om de stichtingen te veroordelen om mee te werken aan het vestigen van het vruchtgebruik op de echtelijke woning en inboedel op grond van art. 4:29 BW en op de andere goederen van de nalatenschap op grond van art. 4:30 BW.
De stichtingen zijn van oordeel dat de kantonrechter niet de bevoegde rechter is. Zij stellen zich op het standpunt dat de vorderingen van de echtgenote een hogere waarde dan € 25.000 vertegenwoordigen, zodat de rechtbank, sector civiel de bevoegde rechter zou zijn.
De echtgenote is het daar niet mee eens. Zij beroept zich daarbij op art. 4:30 lid 6 BW, waarin is bepaald dat – voor zover de echtgenoot en degenen die hun medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik moeten verlenen niet tot overeenstemming kunnen komen over de goederen waarop dit zal komen te rusten – de kantonrechter om een aanwijzing van die goederen kan worden verzocht. In de procedure bij de kantonrechter vraagt de echtgenote om een spoorwissel op grond van art. 69 Rv, omdat zij de procedure in haar optiek ten onrechte met een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift heeft ingeleid.
De procedure in eerste aanleg over het verzorgingsvruchtgebruik
n eerste aanleg oordeelt de kantonrechter dat een spoorwissel op grond van art. 69 Rv niet aan de orde is, omdat de vordering van de echtgenote ziet op een vordering tot nakoming van de wettelijke verplichtingen uit art. 4:29 en 4:30 BW. Procedures rondom een vordering tot nakoming moeten worden ingeleid door middel van een dagvaarding, en dus is de onderhavige procedure met het juiste processtuk ingeleid, aldus de kantonrechter.
De kantonrechter verklaart zich daarentegen wel onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank, sector civiel. Dit omdat er geen sprake is van een aardzaak op grond waarvan de kantonrechter bevoegd is en er ook geen duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vorderingen van de echtgenote een kleinere waarde hebben dan € 25.000. Art. 4:30 lid 6 BW is hier naar het oordeel van de kantonrechter niet van toepassing, omdat het gevorderde van de echtgenote niet ziet op het aanwijzen van goederen waarop het vruchtgebruik kan worden gevestigd. Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, sector kanton van 17 juni 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:5169).
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld tegen dit vonnis van de kantonrechter.
Verzoekschrift verzorgingsvruchtgebruik bij de kantonrechter
De Hoge Raad overweegt in rechtsoverweging 3.3.1 dat de artikelen 4:29 lid 1 en 4:30 lid 1 BW niet bepalen welke rechter bevoegd is om over de vestiging van het vruchtgebruik te oordelen. Omdat de kantonrechter de bevoegde rechter is bij een aantal andere, met het verzorgingsvruchtgebruik verband houdende kwesties, oordeelt de Hoge Raad dat moet worden aangenomen dat de kantonrechter ook de bevoegde rechter ten aanzien van een veroordeling om mee te werken aan de vestiging van een vruchtgebruik. Daarbij weegt de Hoge Raad mee dat dit oordeel past in het stelsel van afdeling 2 van titel 3 van Boek 4 BW.
De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat deze procedure moet worden ingeleid door middel van een verzoekschrift, omdat de wetgever voor procedures rondom het vruchtgebruik de verzoekschriftprocedure voorschrijft. Het ligt het meest voor de hand om ook voor procedures rondom de veroordeling tot medewerking aan het vestigen van een vruchtgebruik te oordelen dat deze moeten worden ingeleid met een verzoekschrift, aldus de Hoge Raad.
Daarmee komt de Hoge Raad zowel ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter als ten aanzien van het inleidende processtuk tot een vernietiging in het belang der wet van het vonnis van de kantonrechter in eerste aanleg. De kantonrechter had de zaak niet moeten verwijzen naar de rechtbank, sector civiel, en had wel de spoorwissel van art. 69 Rv moeten toepassen. Kortom: de kantonrechter is de bevoegde rechter wanneer het gaat om juridische geschillen ten aanzien van art. 4:29 lid 1 en 4:30 lid 1 BW en deze procedures moeten worden ingeleid met behulp van een verzoekschrift.
Procederen over een verzorgingsvruchtgebruik: de route is duidelijk
Dit arrest van de Hoge Raad is een belangrijk arrest, omdat de Hoge Raad in dit arrest duidelijkheid heeft gegeven over de bevoegde rechter en het benodigde inleidende processtuk wanneer het gaat om vorderingen die worden gebaseerd op art. 4:29 en 4:30 BW over het verzorgingsvruchtgebruik van een langstlevende echtgenot. Daar bestond in de rechtspraktijk onduidelijkheid over, en dat leidde ook tot tegenstrijdige uitspraken, zelfs binnen een en dezelfde rechtbank. Zo oordeelde de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg in de onderhavige procedure dat de rechtbank, sector civiel de bevoegde rechter is en dat deze procedure moet worden ingeleid met een dagvaarding (ECLI:NL:RBAMS:2022:5169), terwijl de rechtbank Amsterdam, sector civiel op 14 september 2022 tot het oordeel kwam dat de kantonrechter de bevoegde rechter is en dat de procedure moet worden ingeleid met een verzoekschrift (ECLI:NL:RBAMS:2022:5306). Voor de praktijk is het daarom goed dat er cassatieberoep in het belang der wet is ingesteld, zodat de rechtsonzekerheid die er op deze punten bestond omdat 4:29 en 4:30 BW hierover zelf niets bepalen, door de Hoge Raad weggenomen is.
Voor erfrechtspecialisten die gerechtelijke procedures voeren is het van belang om op de hoogte te zijn van de rechtsregel van dit arrest van de Hoge Raad. Vanwege de duidelijkheid die door de Hoge Raad met dit arrest is gecreëerd, kunnen erfrechtspecialisten enerzijds voorkomen dat zij een procedure in verband met art. 4:29 en/of art. 4:30 BW met het verkeerde processtuk inleiden en anderzijds voorkomen dat zij de procedure voor een onbevoegde rechter starten.